FY003.jpg
Eierleggende Tandkarpers: Speciaalaquarium Afdrukken

 

 

Je zal misschien denken dat de vissen erg lijken op de levendbarende Tandkarpers, vanwege de naam, maar dat is niet zo. Deze vissen zijn over het algemeen minder vreedzaam, maar 'beschermen' hun jongen meer. Ze worden ook wel killivissen genoemd, of afgekort killi's. Aangezien de vaak kleine afmetingen en geringe beweeglijkheid van de meeste soorten is een aquariumpje van 60 liter al genoeg, soms zelfs minder. Op de bodem kan grof zand worden gelegd, maar niet te veel stenen. Ook geen bamboe gebruiken, maar wel kienhout, in de vorm van boomwortels. Het karakter van het aquarium moet een ondiep, plantenrijk en deels overschaduwde rivieroever voorstellen. Liefst genoeg planten, vooral fijnbladig, waartussen ze zich kunnen verschuilen.

Sommige soorten, vooral Afrikaanse, houden van een laag turf op de bodem, die dan wordt gebruikt als afzetsubstraat.

Planten: We kunnen het beste tropische planten kiezen die geen àl te hoge temperatuur vragen en geen al te hoge lichthoeveelheid. Goede planten zijn Myriophillum brasiliensis, Cabomba, Vaantjesplant, de Smalbladige Amazone-Zwaardplant, en de dwergversie ervan. Verder staat de Hygrophila polysperma er goed bij, en zeker Cryptocoryne-soorten. Deze passen goed op donkere plaatsen, waar veel killivissen ook van houden. Voor het maken van donkere plekken halen we de drijfplant Blad op Blad in het aquarium. Het grote wortelstelsel hiervan wordt graag gebruikt door plantenleggers, net als Riccia fluitans en Javamos.

Dieren: Een gemiddelde vis, van 4 tot 6 centimeter, kan op ongeveer 4 à 5 liter water. Aggressievere vissen moeten vanzelfsprekend op minder water. Geschikte eierleggende Tandkarpers zijn Kaap Lopez, Aphyosemion bivttatum, Aphyosemion calliurum, Aphyosemion cognatum en andere vreedzame soorten van het geslacht Aphyosemion. Verder kunnen, van andere geslachten, de Dwarsbandsnoek (Epiplatys dageti) en Rivulus van Cuba worden toegevoegd aan deze schitterende verzameling.

Over E. dageti worden vaak kwade dingen gezegd (bijv. dat hij ontzettend roofzuchtig is) maar dit klopt vaak maar half. Jonge exemplaren zijn rustig, maar op latere leeftijd lusten ze graag een jong visje. Vergis je niet wat er in zijn bek past, want hij heeft naar verhouding een enorme 'laadklep'. Wat grotere, ook wat vraatzuchtige soorten zijn Aplocheilus panchax en A. dayi. Deze zijn alleen houdbaar met wat grotere, taaie soorten. Het beste kan men van elk zo'n 3 paartjes nemen. De vissen genoemde soorten houden zich vooral op in het midden van de bak en iets daarboven. De Dwarsbandsnoek hangt het liefst aan de oppervlakte, onder een paar drijfplanten. De Rivulus van Cuba zwemt ook vaak in de bovenste waterlagen, en het komt meer dan eens voor dat hij op de Blad op Blad ligt. Om ook de bodemlaag op te vullen, kunnen we wat Corydorassen of Dwergbotia's nemen.

Als kleinere waterdieren komen slakken zoals de Melanoides tuberculata in aanmerking. Ook kunnen waaierhandgarnalen, vuurgarnalen of bijgarnalen worden gehouden.

Bovengenoemde soorten waren de relatief makkelijke soorten. De echte seizoensvissen, die vaak maar een jaar leven, zijn lastiger te houden, en bedoeld voor gevorderden. Ook zijn deze vaak moeilijk te verkrijgen. Dit kan vaak het beste gebeuren door eieren via de post op te laten sturen (uit het buitenland). Voorbeelden van deze soorten zijn Nothobranchius rachovi, Cynolebias nigripinnis en Pterolebias peruensis.

Gestelde eisen: Helder, maar niet al te vers water met een temperatuur van 20 tot 24°C. Van tijd tot tijd moet (vooral bij siezoensvissen) men een handje zout toevoegen, zodat het water licht brak wordt, en zo het oorspronkelijke leefgebied nabootst. Bij een te sterke belichting moet men meer drijfplanten plaatsen. Het nadeel van veel van deze vissen is wel dat ze uitsluitend levend voer eten (geldt niet voor meeste bovengenoemde soorten).

Voorbeeldaquarium 40 L

 

(Afrikabiotoop) :

  • 2 paartjes Kaap Lopez;
  • 2 paartjes Epiplatys annulatus;
  • 2 paartjes Aphyosemion liberiense.

Voorbeeldaquarium 80 L

 

(Amerikabiotoop):

  • 3 paartjes Rivulus van Cuba;
  • 2 paartjes Rivulus milesi;
  • 1 trio Rivulus tenuis (1 man, 2 vrouw);
  • 5 Corydoras panda.

Voorbeeldaquarium 120 L

 

(Aziëbiotoop):

  • 3 paartjes Aplocheilus blockii;
  • 2 paartjes Aplocheilus panchax;
  • 10 Rijstvisjes;
  • 15 Vuurgarnalen.

 

 

Je zal misschien denken dat de vissen erg lijken op de levendbarende Tandkarpers, vanwege de naam, maar dat is niet zo. Deze vissen zijn over het algemeen minder vreedzaam, maar 'beschermen' hun jongen meer. Ze worden ook wel killivissen genoemd, of afgekort killi's. Aangezien de vaak kleine afmetingen en geringe beweeglijkheid van de meeste soorten is een aquariumpje van 60 liter al genoeg, soms zelfs minder. Op de bodem kan grof zand worden gelegd, maar niet te veel stenen. Ook geen bamboe gebruiken, maar wel kienhout, in de vorm van boomwortels. Het karakter van het aquarium moet een ondiep, plantenrijk en deels overschaduwde rivieroever voorstellen. Liefst genoeg planten, vooral fijnbladig, waartussen ze zich kunnen verschuilen.

Sommige soorten, vooral Afrikaanse, houden van een laag turf op de bodem, die dan wordt gebruikt als afzetsubstraat.

Planten: We kunnen het beste tropische planten kiezen die geen àl te hoge temperatuur vragen en geen al te hoge lichthoeveelheid. Goede planten zijn Myriophillum brasiliensis, Cabomba, Vaantjesplant, de Smalbladige Amazone-Zwaardplant, en de dwergversie ervan. Verder staat de Hygrophila polysperma er goed bij, en zeker Cryptocoryne-soorten. Deze passen goed op donkere plaatsen, waar veel killivissen ook van houden. Voor het maken van donkere plekken halen we de drijfplant Blad op Blad in het aquarium. Het grote wortelstelsel hiervan wordt graag gebruikt door plantenleggers, net als Riccia fluitans en Javamos.

Dieren: Een gemiddelde vis, van 4 tot 6 centimeter, kan op ongeveer 4 à 5 liter water. Aggressievere vissen moeten vanzelfsprekend op minder water. Geschikte eierleggende Tandkarpers zijn Kaap Lopez, Aphyosemion bivttatum, Aphyosemion calliurum, Aphyosemion cognatum en andere vreedzame soorten van het geslacht Aphyosemion. Verder kunnen, van andere geslachten, de Dwarsbandsnoek (Epiplatys dageti) en Rivulus van Cuba worden toegevoegd aan deze schitterende verzameling.

Over E. dageti worden vaak kwade dingen gezegd (bijv. dat hij ontzettend roofzuchtig is) maar dit klopt vaak maar half. Jonge exemplaren zijn rustig, maar op latere leeftijd lusten ze graag een jong visje. Vergis je niet wat er in zijn bek past, want hij heeft naar verhouding een enorme 'laadklep'. Wat grotere, ook wat vraatzuchtige soorten zijn Aplocheilus panchax en A. dayi. Deze zijn alleen houdbaar met wat grotere, taaie soorten. Het beste kan men van elk zo'n 3 paartjes nemen. De vissen genoemde soorten houden zich vooral op in het midden van de bak en iets daarboven. De Dwarsbandsnoek hangt het liefst aan de oppervlakte, onder een paar drijfplanten. De Rivulus van Cuba zwemt ook vaak in de bovenste waterlagen, en het komt meer dan eens voor dat hij op de Blad op Blad ligt. Om ook de bodemlaag op te vullen, kunnen we wat Corydorassen of Dwergbotia's nemen.

Als kleinere waterdieren komen slakken zoals de Melanoides tuberculata in aanmerking. Ook kunnen waaierhandgarnalen, vuurgarnalen of bijgarnalen worden gehouden.

Bovengenoemde soorten waren de relatief makkelijke soorten. De echte seizoensvissen, die vaak maar een jaar leven, zijn lastiger te houden, en bedoeld voor gevorderden. Ook zijn deze vaak moeilijk te verkrijgen. Dit kan vaak het beste gebeuren door eieren via de post op te laten sturen (uit het buitenland). Voorbeelden van deze soorten zijn Nothobranchius rachovi, Cynolebias nigripinnis en Pterolebias peruensis.

Gestelde eisen: Helder, maar niet al te vers water met een temperatuur van 20 tot 24°C. Van tijd tot tijd moet (vooral bij siezoensvissen) men een handje zout toevoegen, zodat het water licht brak wordt, en zo het oorspronkelijke leefgebied nabootst. Bij een te sterke belichting moet men meer drijfplanten plaatsen. Het nadeel van veel van deze vissen is wel dat ze uitsluitend levend voer eten (geldt niet voor meeste bovengenoemde soorten).

Voorbeeldaquarium 40 L

 

(Afrikabiotoop) :

  • 2 paartjes Kaap Lopez;
  • 2 paartjes Epiplatys annulatus;
  • 2 paartjes Aphyosemion liberiense.

Voorbeeldaquarium 80 L

 

(Amerikabiotoop):

  • 3 paartjes Rivulus van Cuba;
  • 2 paartjes Rivulus milesi;
  • 1 trio Rivulus tenuis (1 man, 2 vrouw);
  • 5 Corydoras panda.

Voorbeeldaquarium 120 L

 

(Aziëbiotoop):

  • 3 paartjes Aplocheilus blockii;
  • 2 paartjes Aplocheilus panchax;
  • 10 Rijstvisjes;
  • 15 Vuurgarnalen.

 

Je zal misschien denken dat de vissen erg lijken op de levendbarende Tandkarpers, vanwege de naam, maar dat is niet zo. Deze vissen zijn over het algemeen minder vreedzaam, maar 'beschermen' hun jongen meer. Ze worden ook wel killivissen genoemd, of afgekort killi's. Aangezien de vaak kleine afmetingen en geringe beweeglijkheid van de meeste soorten is een aquariumpje van 60 liter al genoeg, soms zelfs minder. Op de bodem kan grof zand worden gelegd, maar niet te veel stenen. Ook geen bamboe gebruiken, maar wel kienhout, in de vorm van boomwortels. Het karakter van het aquarium moet een ondiep, plantenrijk en deels overschaduwde rivieroever voorstellen. Liefst genoeg planten, vooral fijnbladig, waartussen ze zich kunnen verschuilen.

Sommige soorten, vooral Afrikaanse, houden van een laag turf op de bodem, die dan wordt gebruikt als afzetsubstraat.

Planten: We kunnen het beste tropische planten kiezen die geen àl te hoge temperatuur vragen en geen al te hoge lichthoeveelheid. Goede planten zijn Myriophillum brasiliensis, Cabomba, Vaantjesplant, de Smalbladige Amazone-Zwaardplant, en de dwergversie ervan. Verder staat de Hygrophila polysperma er goed bij, en zeker Cryptocoryne-soorten. Deze passen goed op donkere plaatsen, waar veel killivissen ook van houden. Voor het maken van donkere plekken halen we de drijfplant Blad op Blad in het aquarium. Het grote wortelstelsel hiervan wordt graag gebruikt door plantenleggers, net als Riccia fluitans en Javamos.

Dieren: Een gemiddelde vis, van 4 tot 6 centimeter, kan op ongeveer 4 à 5 liter water. Aggressievere vissen moeten vanzelfsprekend op minder water. Geschikte eierleggende Tandkarpers zijn Kaap Lopez, Aphyosemion bivttatum, Aphyosemion calliurum, Aphyosemion cognatum en andere vreedzame soorten van het geslacht Aphyosemion. Verder kunnen, van andere geslachten, de Dwarsbandsnoek (Epiplatys dageti) en Rivulus van Cuba worden toegevoegd aan deze schitterende verzameling.

Over E. dageti worden vaak kwade dingen gezegd (bijv. dat hij ontzettend roofzuchtig is) maar dit klopt vaak maar half. Jonge exemplaren zijn rustig, maar op latere leeftijd lusten ze graag een jong visje. Vergis je niet wat er in zijn bek past, want hij heeft naar verhouding een enorme 'laadklep'. Wat grotere, ook wat vraatzuchtige soorten zijn Aplocheilus panchax en A. dayi. Deze zijn alleen houdbaar met wat grotere, taaie soorten. Het beste kan men van elk zo'n 3 paartjes nemen. De vissen genoemde soorten houden zich vooral op in het midden van de bak en iets daarboven. De Dwarsbandsnoek hangt het liefst aan de oppervlakte, onder een paar drijfplanten. De Rivulus van Cuba zwemt ook vaak in de bovenste waterlagen, en het komt meer dan eens voor dat hij op de Blad op Blad ligt. Om ook de bodemlaag op te vullen, kunnen we wat Corydorassen of Dwergbotia's nemen.

Als kleinere waterdieren komen slakken zoals de Melanoides tuberculata in aanmerking. Ook kunnen waaierhandgarnalen, vuurgarnalen of bijgarnalen worden gehouden.

Bovengenoemde soorten waren de relatief makkelijke soorten. De echte seizoensvissen, die vaak maar een jaar leven, zijn lastiger te houden, en bedoeld voor gevorderden. Ook zijn deze vaak moeilijk te verkrijgen. Dit kan vaak het beste gebeuren door eieren via de post op te laten sturen (uit het buitenland). Voorbeelden van deze soorten zijn Nothobranchius rachovi, Cynolebias nigripinnis en Pterolebias peruensis.

Gestelde eisen: Helder, maar niet al te vers water met een temperatuur van 20 tot 24°C. Van tijd tot tijd moet (vooral bij siezoensvissen) men een handje zout toevoegen, zodat het water licht brak wordt, en zo het oorspronkelijke leefgebied nabootst. Bij een te sterke belichting moet men meer drijfplanten plaatsen. Het nadeel van veel van deze vissen is wel dat ze uitsluitend levend voer eten (geldt niet voor meeste bovengenoemde soorten).

Voorbeeldaquarium 40 L

 

(Afrikabiotoop) :

  • 2 paartjes Kaap Lopez;
  • 2 paartjes Epiplatys annulatus;
  • 2 paartjes Aphyosemion liberiense.

Voorbeeldaquarium 80 L

 

(Amerikabiotoop):

  • 3 paartjes Rivulus van Cuba;
  • 2 paartjes Rivulus milesi;
  • 1 trio Rivulus tenuis (1 man, 2 vrouw);
  • 5 Corydoras panda.

Voorbeeldaquarium 120 L

 

(Aziëbiotoop):

  • 3 paartjes Aplocheilus blockii;
  • 2 paartjes Aplocheilus panchax;
  • 10 Rijstvisjes;
  • 15 Vuurgarnalen.

 

 

 

 

 
RocketTheme Joomla Templates