Pistia stratiotes_1.jpg
Hyphessobrycon sweglesi - rode fantoomzalm Afdrukken

Siervis Leuven

Het thuisfront van de rode Fantoomzalm is het, voor ons aquariumliefhebbers, zo productieve Amazonebekken. Hij leeft in Peru, Brazilië en Columbia. In Brazilië bevolkt hij de zijrivieren van de Solimoês, in Columbia vind je hem in de bovenloop van de Orinoco, in de Rio Muco en in de Rio Meta, die het grensgebied tussen Columbia en Venezuela bevloeit.

De Hyphessobrycon sweglesi tref je er in de talloze kleine rivieren en beekjes, die dit reusachtig tropisch gebied dooraderen, in grote scholen aan. Hij wordt vooral gevonden aan de oevers van deze waterlopen, waar de overgroeiende oevervegetatie er voor zorgt dat een groot gedeelte van het zonlicht weg gefilterd wordt. Bovendien heeft het water er, al naargelang de densiteit van de hierin opgeloste organische stoffen, de kleur van slappe of sterke thee. Dit fenomeen heeft tot gevolg dat het doordringen van het daglicht nog meer belemmerd wordt en dat de groei van waterplanten er totaal onmogelijk is. Het water is er zeer zacht (2dGH) en zuur en de carbonaathardheid is nihil. De bodem bestaat uit zand of kiezel en is vaak bedekt met een laag detritus van afgestorven planten. De temperatuur varieert er van 22 tot 25°C in de met oevervegetatie overwoekerde beekjes, van 25 tot 29°C in de rivieren. 's Nachts koelt het er nauwelijks af.

De Hyphessobrycon sweglesi is een tamelijk recente aanwinst voor de aquaristiek. Hij werd pas in 1961 door J. Géry beschreven.

De rode Fantoomzalm is een rustige en toch speelse vis, die pas tot zijn recht komt als je hem in een schooltje van 10 of 15 stuks houdt. Zoals zijn natuurlijk biotoop uitwijst, hou je hem best in een niet te fel verlichte bak, met een donkere bodemgrond en een goede achter- en randbeplanting, waarin overhangende fijnbladige planten zoals Ambulia of Cabomba voor de nodige schaduwplekken zorgen. In grotere aquaria kan je diffuus licht creëren, door gebruik te maken van drijfplanten zoals eikenbladvaren (Ceratopteris thalictroides) of blad-op-blad (Ceratopteris cornuta).

Aan het water, dat je gaat gebruiken, moet je de nodige aandacht besteden. Als je vertrekt van leidingwater kan je dit, om het te verzachten, net zo lang mengen met regen- of zacht bronwater tot je op een hardheid uitkomt van 4 tot 6dGH. De pH moet minstens neutraal, maar liever nog lichtzuur zijn. Om dat te bereiken, kan je het water filteren over turf. Het krijgt dan een barnsteenkleur, wat bijdraagt tot de behaaglijke sfeer die een Amazonebekken uitstraalt. Een paar knoestige stukken kienhout geven aan het geheel de nodige dynamiek.

De rode fantoomzalm is simpelweg een knappe verschijning. Zijn ruitvormig, zijdelings sterk samengedrukt lichaam, is doorschijnend rood- tot roestbruin. Zijn buik is glanzend goudgeel. Iets na het kieuwdeksel heeft hij een pekzwarte, eivormige schoudervlek. De rugvin is bij jonge mannetjes bloedrood en langgerekt. Volwassen exemplaren hebben een zwarte vlek in hun rugvin, die in het hoogste topje nog een wit stipje meevoert en aan de basis eveneens bloedrood is. De buik- en aarsvin zijn doorzichtig rood, de borstvinnen zijn grijsachtig transparant. De vrouwtjes zijn kleiner en ‘geblokter’ dan de 4cm grote mannetjes.

Dit visje is levendig en kleurrijk. De mannetjes gaan vaak schijngevechten aan, waarbij ze pronken met hun mooiste kleuren en met volledig gespreide vinnen op elkaar toe zwemmen. Averij wordt er bij deze spelletjes zelden opgelopen. Ook draaien ze frivool rond de wijfjes, om hen te imponeren en te verleiden. Het is trouwens niet uitgesloten dat ze in de gezelschapsbak, tussen fijnbladige planten of in een dot Javamos, spontaan afzetten. Jongen zal je hier, omdat de omstandigheden in uw aquarium niet goed genoeg zijn, niet aan overhouden. De rode Fantoomzalm bevolkt bij voorkeur de middelste waterlagen. Hij eet liefst kleine voedseldieren zoals Daphnia's, Cyclops en zwarte muggenlarven, maar ook fruitvliegjes snapt hij zwierig van het wateroppervlak weg. Ook een goede kwaliteit droogvoer eet hij gewillig mee.

Als je gericht wil kweken, neem je een bakje van 10 tot 15 liter. De bodem schilder je aan de buitenkant zwart om het ‘kop staan’ van de visjes te vermijden. Met het oog op het later onderhoud, laat je hem best kaal. Een hoekfiltertje, waarin je perlonwatten stopt, houdt het water helder. Steek er een plasticpijpje in, dat het gefilterde water zachtjes aan het wateroppervlak uitstoot, zodat er geen sterke stroming ontstaat. Je verwarmt het zachte (max. 2dGH), zure (pH 5-6) water tot op een temperatuur van 26°C en legt er een dikke, schoongespoelde dot Javamos in. Nu vang je het dikste wijfje en het mooiste mannetje uit je gezelschapsbak. Bij de kleine hoeveelheid water, waarin de visjes zitten als je ze uitschept, voeg je door middel van een afgeklemd luchtslangetje druppelsgewijs water van de kweekbak toe. Als het bokaaltje vol is, zet je de visjes voorzichtig over.

Je voedert ze stevig met levend voer en laat ze de tijd om aan elkaar te wennen. Is er na enkele dagen nog niets gebeurd, wordt het niks tussen die twee en zoek je best een ander koppeltje uit. Als het wel lukt zal je zien dat het mannetje, met volledig gespreide vinnen, rond het wijfje danst. Mocht zij proberen te ontsnappen aan zijn avances, gaat hij haar als een gek achterna. Uiteindelijk bereiken ze de climax en zwemmen ze, zij aan zij, door het bakje. De eitjes worden door het wijfje sidderend in het vrije water uitgestoten en door het mannetje bevrucht. Ze vallen naar de bodem en zijn roodbruin van kleur. Na iedere ei-afzetting gaat het paartje eventjes uiteen, om dan aan een nieuwe paringsbeurt te beginnen. Na iets minder dan twee uur is de paring afgelopen en wordt het koppeltje uit het kweekbakje verwijderd.

Nu is het ogenblik aangebroken om dit bakje volledig te verduisteren met krantenpapier of zwarte plasticfolie. De eitjes zijn immers zeer gevoelig voor schimmelinfecties of voor aantasting door algen. Na 18 tot 24 uren komen de jonge visjes uit, teren hun dooierzak op en beginnen na drie dagen vrij rond te zwemmen. Nu is het ogenblik aangekomen om te voederen. Je kan dit doen met stofvoer, maar je moet er dan wel nauwlettend op toezien dat alles opgegeten wordt. Overblijvende voedselresten gaan, bij de hoge temperatuur in het kweekbakje, onmiddellijk tot ontbinding over. Het is dus aangewezen om er, meerdere keren per dag, een kleine hoeveelheid van te geven. Natuurlijk fijn voer, zoals vijverplankton of pantoffeldiertjes, die je zelf kan kweken, is veiliger dan fijn droogvoer omdat het de waterkwaliteit minder gaat belasten. Na enkele dagen schakel je dan over op Artemianaupliën, waarop de jonge visjes verzot zijn. De bodem van het kweekbakje moet kraaknet blijven en alle voedsel- en ontlastingsresten worden, door middel van een stukje luchtslang, nauwgezet afgeheveld. Na een week of twee breng je de visjes over in een grotere bak, gevuld met water van dezelfde kwaliteit, waarin je ze verder groot trekt. Zorg er voor dat de temperatuur nooit onder de 25°C zakt, want dan hou je er een hoop dode visjes aan over.

Als het wijfje, dat je voor de kweek hebt gebruikt, veel kuit op had, kan je rekenen op een driehonderdtal eitjes. Indien je er rekening mee houdt, dat niet alle eitjes uitkomen mag je, bij een honderdtal jongen, je kweek als geslaagd beschouwen. Vooral de eerste weken groeien de jongen fors. Na vijf tot zes weken zijn ze 1cm groot en zien ze er al uit als hun ouders. Na zes maanden kan je de geslachten duidelijk onderscheiden. Regelmatig water verversen draagt bij tot de groei van het jongbroed omdat je hierdoor de remstoffen, die de jonge visjes zelf produceren en die de groeicapaciteit verminderen, gedeeltelijk wegwerkt.

Zoals je hebt kunnen vaststellen, is het op een juiste manier houden van deze visjes niet zo eenvoudig. Het door hen vertoonde coloriet en de daverende show die zij, als ze in optimale conditie verkeren, dag na dag opvoeren compenseert ruim de kleine meerinspanning die ze van je vragen.

 
RocketTheme Joomla Templates